
Hannes Vermoen was dwangarbeider tijdens 2e Wereldoorlog
In maart van dit jaar overleed Johannes ('Hannes') Vermoen. Hij was op het moment van zijn overlijden 102 jaar en daarmee de oudste mannelijke inwoner van de Hoeksche Waard. Maar de inwoner van 's-Gravendeel, die nog lang vitaal was, was ook één van de laatste nog in leven zijnde voormalige dwangarbeiders (Arbeitseinsatz) tijdens de Tweede Wereldoorlog. Vanaf mei 1943 moesten alle Nederlandse mannen van 18 tot 35 jaar zich melden voor dwangarbeid.
De herinneringen van Hannes Vermoen aan deze periode staan echter in schril contrast met lotgenoten uit die tijd. Tijdens zijn verblijf in Duitsland stonden niet dood, verderf, ziekte en bombardementen centraal. Hij herinnerde zich de welvaart op het platteland, een huiselijk bestaan, een gevoel van geluk zelfs. Eerst werd lichting ‘24 opgeroepen, kort daarna kregen degenen die in 1923 waren geboren een oproep. Hannes vertelde daar ooit over: 'Ik werd net zoals dat gaat voor militaire dienst gekeurd door een arts. ‘Keine fehler’, schreef hij op mijn formulier. Ik had geen idee wat dat betekende, maar ik werd zonder gebreken geschikt geacht voor de arbeid. En vervolgens melden voor transport: In Dordrecht, op 17 juli 1943. Gelukkig was ik niet alleen, ook jongens uit de buurt gingen mee op transport. Jan Vermeulen uit Maasdam, Wim Verschoor uit Strijen en Leen Verdonk woonde net als ik in ’s-Gravendeel. De bestemming bleek het station van Kassel te zijn. Leen Verdonk verstond een beetje Duits en kon afleiden dat wij met z’n vieren bij elkaar moesten blijven. Als mannen van het platteland moesten we ons melden in het ruim vijftig kilometer verderop gelegen Korbach. Via het arbeidsbureau daar werden we verdeeld over de boeren in Bad Wildungen.'
Platteland in plaats van oorlogsindustrie
Dat was wel even wat anders dan een smerige fabriek voor de oorlogsindustrie. Hannes: 'We waren natuurlijk best tevreden dat we op een boerderij konden gaan werken. Vrijwel alle reisgenoten gingen naar de fabrieken. Mijn aankomst bij die boer zal ik nooit meer vergeten. Zijn vrouw zat achter een raampje. Met haar zo dik als een lepeltje en een gemene grijns, een echte heks. Later bleek dat ze een open been had, dus ze had waarschijnlijk gewoon pijn. Leen Verdonk werkte in de buurt, bij de boerendochter van het echtpaar waar ik zat. Het was een hele warme zomer, het was boerenwerk zoals ik dat thuis ook al had gedaan. We werden anders bekeken en behandeld dan arbeidskrachten uit het oosten. Polen en Russen kregen een ‘Ost’ op hun borst, zoals joden een ster hadden. Zij werden niet best behandeld.' Op de vraag of hij bij fanatieke Duitsers terecht was gekomen antwoorde Hannes ontkennend: 'Alleen de vrouw des huizes was fanatiek. Tijdens het eten kwam eens de overbuurvrouw binnen. Om blij te melden dat de U-boten weer zoveel duizend ton ‘versenkt’ hadden. Toen ze zagen dat ik grijnsde zeiden ze: Wacht maar. ‘Wer zuletzt lacht, lacht am besten’. Ik wist wel beter, een dubbeltje kan nooit van een kwartje winnen. De uitkomst van de oorlog was voor mij duidelijk.'
Zweedse consulaat
Hannes Vermoen heeft unieke foto's overgehouden aan zijn tijd in Duitsland: 'De boer waar ik werkte heette Fritz Wiesemann. Zijn familieleden hadden bedrijven in de omgeving, daar kwam ik dus ook. Eén woonde vlakbij slot Friedrichstein, die luisterde gewoon naar de Engelse zender. En toen kwam het einde van de oorlog… We hoorden het rommelen in de verte, de Amerikanen kwamen steeds dichterbij. Wij werden geadviseerd om bij het Zweedse consulaat een bewijs van Nederlanderschap op te halen. Toen we terugliepen passeerde er een Amerikaanse Jeep, met een gewonde achterop. Dat was eind maart 1945. Dus snel naar huis! Nee, het werk ging op de boerderij ging gewoon door... En de Amerikanen hadden wel wat beters te doen. Nederland was nog niet bevrijd, we hadden ook geen idee waar we in terecht zouden komen. In Duitsland hadden we werk en voedsel. Mijn moeder heeft hemel en aarde bewogen om uit te vinden waar ik zat. Toen de postbode kwam met post voor ‘Herr Vermoen’ werd duidelijk dat ze mij graag weer in haar armen wilde sluiten.'
De 5 van Greup
Hannes Vermoen werd geboren op 20 februari 1923, aan de Blauwe Steen bij Greup. 'Mijn ouders hadden negen kinderen, vanaf de lagere school ben ik bij Goedhart gaan werken. In de winter reden we met groente, in de zomer met een ijskar. In 1941 werkte ik in het vlas in 's-Gravendeel, samen met slagerszoon Arie Stam (die dat deed om vrijgesteld te worden van werken in Duitsland). Tot 1940 woonde ik aan de Greup, dus toen ik in 1941 hoorde dat er een vliegtuig was neergestort ben ik er in de avond samen met Arie heen gefietst. Veel Duitsers, we mochten nergens langs. Ik heb wel wat voormalige buurtgenoten gesproken, zoals de moeder van Arie van Steensel. Toen we naar huis fietsten zagen we langs de vliet, in de hoek bij de boerderijen van Quartel en Van der Sluis twee mannen naderen. Het bleken twee bemanningsleden te zijn van het vliegtuig. Ze vroegen om eten en drinken, in de wagenkeet bij Van der Sluis hebben we ze ondergebracht. Iedereen in de buurt was huiverig om te helpen, mannen werden al verzameld op het schoolplein. Later hoorden we dat ze aan de Duitsers waren overgeleverd, de schrik zat er goed in.' (tekst: Arie Pieters, bron: H. van den Heuvel/Piershil.com)