Op basis van diepgaand onderzoek weten we hoe de middeleeuwse oliemolen moet zijn ingericht, zoals zichtbaar op deze reconstructie van Ing. Den Besten.
Op basis van diepgaand onderzoek weten we hoe de middeleeuwse oliemolen moet zijn ingericht, zoals zichtbaar op deze reconstructie van Ing. Den Besten.

Stampen en heien: oliemolens in Hoeksche Waard

Wie aan een molen denkt, denkt als eerste aan het malen van graan en het opvoeren van water. Toch kunnen molens meer. In de molencolumn van deze maand aandacht voor een verdwenen molenfunctie in de regio: de oliemolen.

door Jesse in ’t Veld, molenaar van De Lelie in Puttershoek

Hoeksche Waard - 'Nieuw-Beijerland, zomer 1642. Willem van der Graeff kijkt uit het kijkgat van zijn molen uit over de uitgestrekte velden van de nog jonge polder rondom Nieuw-Beijerland. Op de achtergrond dreunen de doffe stampers van zijn oliemolen in het wisselende ritme van de wind. Een ferme harde slag volgt. Nog een paar klappen van de hei en de persing is klaar. Goudgele olie, uit een zaadje dat het jaar ervoor nog de akker sierde. 
Het zijn niet alleen granen die op die akkers wuiven in de wind, maar ook een flink aandeel vlas. De kleigronden van de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden lenen zich uitstekend voor dit plantje, waarvan men uit de stengels hoofdzakelijk linnen maakt. Wat overblijft zijn de zaden. Gladde, donkerbruine zaadjes, die rijk zijn aan olie. Willem heeft met zijn oliemolen alles in huis om uit deze zaden olie te persen. Dat dit lucratief is blijkt wel uit het feit dat in het naburige Oud-Beijerland dan nóg een oliemolen staat. Mogelijk zelfs twee. De oliemolen van Willem is een zogenaamde standerd- of staakmolen. Een middeleeuws molentype, dat omstreeks 1170 in de streken rondom Rijssel (Lille) is ontstaan.

Molen omgewaaid
Het molentype kenmerkt zich door zijn grote rechthoekige kast, die rondom een massieve eikenhouten paal op elke windrichting kan worden gezet. De toegang gaat via een lange trap aan de achterzijde. De Hoeksche Waard heeft zo'n 8 standerdmolens gekend, voornamelijk korenmolens. De laatste, die van Oud-Beijerland, werd slachtoffer van zijn eigen kwetsbaarheid: in 1717 waaide hij om.
De inrichting van de molen van Willem wijkt echter af van die van zijn graan malende buren. De eerste oliemolens werkten met grote houten stampers om het lijnzaad te kneuzen. Daartoe plaatste men in de lengterichting van de kast een zware eikenhouten balk van zo'n 75 centimeter in het vierkant, waarin holle ‘stampkamers' waren uitgespaard. Dit nam ongeveer de helft van deze ‘slagbank' in. De andere helft, dichter bij de centrale standerd gelegen, was bestemd voor de twee zware heien. Met deze heien kon in de slagbank een perslade worden vast- en losgeslagen, waardoor men de olie uit het zaad