
Adriaan Geuze: ‘‘Die polders zijn gewoon verpletterend mooi’
Algemeen 1.900 keer gelezenNumansdorp - Na de feestelijke aftrap van het jubileumjaar van het 50-jarige Hoekschewaards Landschap op zaterdag 28 januari was er woensdag 1 februari opnieuw een belangwekkende bijeenkomst in het Nationaal landschap Centrum in Numansdorp.
Na korte openingswoorden van voorzitter Thijs Jasperse, die maar weer eens het belang van samenwerking op het eiland benadrukte als het om de gezamenlijke toekomst gaat, werd deel 3 van de documentaire ‘Hoeksche Waarde’ vertoond, gemaakt door André de Geus en Eelco Romeijn.
Werd daar in woord en beeld al een terechte lofzang op de Hoeksche Waard aangeheven, de spreker van de middag, professor Adriaan Geuze overtrof dat aansluitend moeiteloos. Geuze is hoogleraar Landscape Architecture aan de TU Delft. Hij schetste in bloemrijke taal zijn visie op een mix van polderlandschap, water, wonen en werken in de Hoeksche Waard. En benadrukte de belangrijke rol die het HWL daarbij heeft.
Geuze viel maar meteen met de deur in huis: ‘Ik ben van de polder en ik hou van de polder, het is hier gewoon verpletterend mooi.’ Dat was heel vroeger wel anders. Want waarom gingen mensen eigenlijk in dat moerasachtige gebied wonen? De Romeinen wisten al dat je daar ver vandaan moest blijven, je kon er letterlijk verdwijnen. Pas later ging men het veengebied ontginnen. Veel gezwoeg en geploeter: allemaal voor niks. Het land zakte, de zee steeg, met heel veel overstromingen tot gevolg.
Jonge zeeklei
De mens gaf niet op en beetje bij beetje werden stukken bedijkt en ontstonden de polders. ‘Door de mens gemaakt land’, jubelde Geuze, ‘gewonnen op de zee, van een verpletterende schoonheid, het was vruchtbaar en bracht zoveel.’ Het geheim: JONGE ZEEKLEI !! De term viel vele keren die middag en werd met heel veel nadruk door Geuze naar voren gebracht. ‘De beste landbouwgrond die je kunt bedenken en de Hoeksche Waard heeft het. Het nieuwe land rendeerde, ondanks de altijd dreigende zee, daar kunnen we trots op zijn, niet voor niets is het door vele schilders vastgelegd. Ik snap dat, want als ik een vers geploegde akker zie, met het juiste licht, dan zie ik golven en de zee.’
‘Maar kijk uit’, waarschuwde Geuze. ‘we leven wel met heel veel mensen vlak bij elkaar in deze regio. En dus wordt alles volgebouwd, verstedelijking, huizen, wegen, winkels, grote blokkendozen, allemaal ten koste van het polderland.’ Als afschrikwekkend voorbeeld toonde hij een kaart van IJsselmonde. In 1 generatie volledig volgebouwd. ‘Ja, en als alles daar vol is dan willen de plannenmakers wat graag afzakken naar de Hoeksche Waard, daar is ruimte.’
Hoeksche haag
De hoogleraar hield een vurig pleidooi voor het behoud van de vele dijken in de Hoeksche Waard, het belang van bomen op die dijk, grotere kreken, als waterberging, goed voor recreatiemogelijkheden van de kano tot de schaats en ze vertellen iets over de geschiedenis van het landschap.’ Daarnaast toonde hij zich warm voorstander van de Hoeksche Haag aan de randen van akkers of in bermen, naar Limburgs voorbeeld. ‘Dat is heel eenvoudig in te passen in het landschap hier’, vervolgde Geuze, ‘want het moet ook weer niet al te leeg zijn. Het komt de biodiversiteit ten goede, met slimme aanplant krijg je een nog aantrekkelijker landschap waar mensen graag komen en terugkomen.’
De boer blijft eigenaar en Geuze voorzag een mooie rol voor het HWL als onderhouder van die hagen met bijvoorbeeld een robotmaaier die dan natuurlijk de TU in Delft zou kunnen ontwikkelen.
In een korte discussie na afloop werd benadrukt dat de vele losse projecten die er nu vaak zijn nodig gebundeld moeten worden. Iedereen onderschreef daarnaast de urgentie om haast met een doortimmerd plan te maken voordat hogere overheden dat doen. Ook het evenwicht tussen economie en ecologie werd genoemd. Het hoeft allemaal niet zo moeilijk, waren de slotwoorden van Geuze. ‘Laat kinderen aan de slag gaan met bijvoorbeeld boompjes planten, niemand heeft iets tegen kinderen, dan gaat het razen en depolitiseer je het meteen. Gewoon simpel ergens gaan beginnen.’
(tekst: Conno Bochoven)

















