
Nieuw boek oorlogsverhalen: Op voedseltocht naar de Hoeksche Waard
Actueel 352 keer gelezenHeinenoord – Vrijdag 1 mei verschijnt het boek “Vakantie in de Waalhaven” van Gerhard Schipper waarin levensverhalen van geboren Rotterdammers zijn opgetekend. Drie personen daaruit wonen al vele jaren in de Hoeksche Waard: Riet Vos-van Ommeren (Mijnsheerenland), Aletta Straver-Kooman (Nieuw-Beijerland) en Bert den Braber (Oud-Beijerland). In januari schreef de onlangs overleden Koos Postema nog een voorwoord voor het boek. De presentatie ervan is in Museum Hoeksche Waard te Heinenoord.
In de levensbeschrijvingen komt het eiland van de Hoeksche Waard in beeld als tijdens de Hongerwinter het eten in de stad nagenoeg opraakt. Als men op voedseltocht gaat, moet de zwaarbewaakte Barendrechtse Brug worden gepasseerd.
Joop (1930): “Mijn moeder had het adres van een aardappelboer aan de Blaaksedijk. Ik ben op de fiets met twee grote zijtassen op weg gegaan. Bij de brug stonden veel mensen te wachten in de hoop door de Duitsers te worden doorgelaten. Tegen de avond werd mij duidelijk dat het niet zou gaan lukken de brug over te komen. Lopend langs de rivier vond ik iemand die mij met een bootje wilde overzetten. Ik werd die avond hartelijk ontvangen aan de Blaaksedijk en heb ‘s nachts in een schuur geslapen. Met twee volle tassen keerde ik na twee dagen terug naar huis.”
Dirk (1932): “Samen met mijn broer liep ik met een karretje de brug over. We gingen de boeren af en vroegen om suikerbieten. Dan mochten we die van het land afhalen. Als we ’s avonds thuiskwamen, zaten we onder de modder. Eén keer liep het wiel van ons wagentje en kwamen we pas vér na spertijd thuis.”
Riet (1935): “In de Hongerwinter raakte het eten op en stonden we met voedselbonnen in een lange rij voor winkels. Mijn vader is op de fiets naar de Hoeksche Waard gegaan om aardappels te halen. Dan keerde hij lopend met volle zakken op zijn fiets weer terug. Het gebeurde regelmatig dat er bij controles op de brug nog een zak werd ingepikt door de Duitsers.”
Enkelen vinden voor een aantal maanden onderdak in de Hoeksche Waard. Jaap (1934): “Ik was een mager ventje geworden en werd met acht kinderen, in een ambulance, naar de Hoeksche Waard gebracht. Ik herinner me dat we door een eindeloze vlakte, die onder water stond, over de dijk van Puttershoek naar Heinenoord reden. Daar werd ik gehuisvest bij de familie Leeuwenburgh. Al na veertien dagen was ik negen pond aangekomen!”
Jannie (1938): “Ik kom uit een gezin van twaalf kinderen en werd in de laatste oorlogsmaanden ondergebracht in Oud-Beijerland. Op een dag mocht ik met mijn zus mee op pad. We liepen over de brug en kwamen in de loop van de middag bij het huis van een jong echtpaar. Daar ben ik een tijdlang gebleven. Aan het einde van de oorlog kwam mijn vader mij met de fiets weer ophalen.”
Bert (1940): “In de Hongerwinter kregen wij vanuit Oud-Beijerland door familie voedsel aangeleverd. Dat werd meegegeven aan beurtschipper Quaak die het meevoerde naar Rotterdam. Door het toenemende gebrek aan voedsel is besloten om mij bij die familie onder te brengen. Achterop de fiets bij mijn tante vertrok ik uit Rotterdam, maar we werden bij de brug tegengehouden door een Duitser. Een week later lukte het alsnog om mij bij bakkerij Van Bochove aan de Molendijk af te leveren.”
Het boek is te koop bij Bruna in Oud-Beijerland en Edel/Bruna in Numansdorp.















