
‘Rol Willem Tichelaer is niet bewezen, zaakje stinkt wel’
Algemeen 3.498 keer gelezenPiershil - Het jaar 1672 staat te boek als het ‘rampjaar’ in onze vaderlandse geschiedenis. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd aangevallen door Engeland, Frankrijk en de bisdommen Münster en Keulen.
Op 20 augustus 1672, precies 350 jaar geleden dus, werden bovendien Cornelis en Johan de Witt in Den Haag gruwelijk vermoord. Aan die beruchte daad is nog altijd de naam van Willem Tichelaer uit Piershil als samenzweerder verbonden. Gert Schilperoort dook in de historie en deed interessante ontdekkingen. ‘Hard bewijs ontbreekt, het zaakje stinkt in ieder geval’.
Willem Tichelaer werd in 1644 in Oud-Beijerland geboren als zoon van chirurgijn Willem Jansz. Tichelaer. Later werd hij barbier en chirurgijn in Piershil. Korendijker Gert Schilperoort zat vele jaren later regelmatig in de kappersstoel van Koos Groenenberg, een opvolger van Tichelaer als barbier. ‘In Piershil is men zich altijd zeer bewust geweest van de rol in de geschiedenis van Tichelaer’, zegt Gert, ‘het was soms onderwerp van gesprek in de kapperszaak.’ Schilperoort heeft veel interesse in de historie en toen voor de ‘Canon van de Hoeksche Waard’ een hoofdstuk over Willem Tichelaer geschreven moest worden was de auteur/onderzoeker snel gevonden.
Kwaad bloed gezet
Willem Tichelaer was bepaald geen gezellige jongen. Het moet een grote vent geweest zijn die regelmatig ruzie had en zocht. Hij ‘ontvoerde’ eens een jonge vrouw per boot en had een knallende ruzie met de schout. De schout liep klappen op en er werd zo gescholden dat ‘al het volk’ ondanks de duisternis op straat kwam. Cornelis de Witt was in die dagen ruwaard, nu noemen we dat een Hoofdofficier van Justitie, en hij veroordeelde Tichelaer tot een boete en openbare excuses. Dat heeft waarschijnlijk veel kwaad bloed gezet bij Tichelaer.
Op 8 juli 1672 ging hij onaangekondigd naar het woonhuis van De Witt in Dordrecht. Volgens Tichelaer om te vragen de veroordeling in te trekken. Tichelaer heeft later altijd volgehouden dat De Witt dat wel wilde doen maar dat Tichelaer dan prins Willem III moest vergiftigen.
‘We zullen nooit weten wat daar precies is besproken’, zegt Schilperoort. ‘Volgens de vrouw van De Witt is Tichelaer hooguit een kwartier binnen geweest. Er was een groot verschil in maatschappelijke status, het is niet waarschijnlijk dat ze dit onderwerp in zo’n korte tijd besproken hebben met elkaar.’
Detective
Tichelaer ging naar het legerkamp van de prins en deed daar z’n verhaal aan twee vertrouwelingen van de prins. Daarop werd Cornelis de Witt opgepakt en langdurig gefolterd maar ontkende de aantijgingen. Uiteindelijk vielen beide broers ten prooi aan een ware volkswoede en werden ze gruwelijk omgebracht. ‘Het is heel opvallend dat de misdadigers zelfs beloond werden’, zegt Schilperoort.
Als een ware detective bleef Gert Schilperoort met de vraag zitten of Tichelaer op eigen houtje handelde of dat er sprake was van een complot. ‘Ik ben nagegaan hoe iemand als Tichelaer contact kon hebben met personen uit de hoogste kringen rond de prins en wie daar dan toe behoorden’, vervolgt Gert, ‘dat bleek onder andere de familie Tromp, van de bekende zeeheld Maarten Harpertsz. Tromp, te zijn. Van hen is bekend dat ze een grote hekel aan de gebroeders De Witt hadden. Zoon Cornelis Tromp was door Johan de Witt op non-actief gezet en kon dat niet verkroppen. Mogelijk zochten ze iemand om het vuile werk te doen, dat deden ze natuurlijk niet zelf.’
Trompenburg
Schilperoort zocht uit dat de familie Tromp een boerderij annex buitenverblijf Trompenburg bij Zuid-Beijerland, richting Piershil had. Uit een dagboek van de aangetrouwde familie Teding van Berkhout blijkt dat ze contact hadden en zelfs logeerden bij Dijckgraaff Hopsomer, en dat was een oom van Willem Tichelaer. Gert: ‘En toen viel het kwartje, want het is dus zeer wel mogelijk dat de familie Tromp zo in contact is gekomen met Willem Tichelaer. Zij zullen ook wel eens een barbier of chirurgijn nodig hebben gehad, en Piershil lag vlakbij. De kans op een ontmoeting is naar mijn mening in ieder geval groot geweest. Wie weet heeft een simpele scheerbeurt wel geleid tot een samenzwering.’
Aanwijzingen, geen bewijs
Gert noemt zijn bevindingen ‘best een ontdekking’ maar beaamt direct dat hard bewijs niet te leveren is. ‘Dat zal er ook niet komen denk ik, het is allemaal lang geleden en van de families Oranje en Tromp is bekend dat er heel veel sporen zijn uitgewist. Van de zijde van historici wordt nogal tam gereageerd vind ik. Het zijn aanwijzingen, maar geen bewijs, zo zei er één. Je moet met zo’n beschuldiging ook heel voorzichtig zijn, kijk maar naar de recente rel rond de vermeende verrader van Anne Frank. Het was in ieder geval een mooi onderwerp om eens helemaal in te duiken.’
Mini-expo
Schilperoort heeft tijdens zijn onderzoek meerdere originele pamfletten uit die roerige tijd gevonden. Gezien de actualiteit komt er daarom een mini-expositie over het Rampjaar en de (mogelijke) Hoeksche Waardse rol daarin in Museum Hoeksche Waard in Heinenoord.
Wie het uitgebreide artikel over Willem Tichelaer van de hand van Gert Schilperoort wil lezen kan terecht bij hoofdstuk 19 van de Canon van de Hoeksche Waard, te koop in de boekhandel en bij Museum Hoeksche Waard.
(tekst: Conno Bochoven)















